Dezelfde cijfers, een ander advies

Wat weegt mee als docenten beslissen op welk niveau een brugklasleerling verder gaat? De cijfers, maar niet alleen de cijfers.

Nathalia Drent, Anneke Timmermans en Jan-Willem Strijbos
Rijksuniversiteit Groningen, GION onderwijs/onderzoek
Verschenen in 2026 in het Engelstalige tijdschrift School Effectiveness and School Improvement (open access, vrij te lezen)
Jayden, een van de verzonnen leerlingen Fleur, een van de verzonnen leerlingen

Fleur en Jayden, twee van de 32 verzonnen leerlingen uit dit onderzoek. Precies dezelfde cijferlijst, en toch een heel ander advies. Schuif over de foto.

Fleur meisje · goede werkhouding · ouders apotheker en binnenhuisarchitect · havo/vwo-brugklas 65% van de docenten adviseerde het hoogste niveau
Jayden jongen · matige werkhouding · ouders vrachtwagenchauffeur en hovenier · vmbo/havo-brugklas 9% van de docenten adviseerde het hoogste niveau

Waar gaat het over?

In Nederland gaan kinderen rond hun twaalfde naar de middelbare school. Veel scholen hebben een brede brugklas: een klas waarin twee niveaus samen zitten, bijvoorbeeld vmbo/havo of havo/vwo. Aan het eind van klas 2 beslissen de docenten samen: gaat deze leerling verder op het hoogste of op het laagste van die twee niveaus?

Die keuze is belangrijk, want het niveau bepaalt later welke vervolgopleidingen openstaan. Uit eerder onderzoek weten we dat bij zulke beslissingen ook de achtergrond van een leerling kan meespelen. We wilden weten hoe dat zit in de Nederlandse brugklas, en vooral: hoe kenmerken in combinatie meewegen.

Brede brugklas klas 1 en 2, bijv. vmbo/havo docenten kiezen Hoogste niveau klas 3, bijv. havo Laagste niveau klas 3, bijv. vmbo

Het kan twee kanten op misgaan

Leerlingen komen niet altijd op het niveau terecht dat bij hen past. Meestal denken we dan aan leerlingen die te laag worden geplaatst. Dat overkomt vaker leerlingen met ouders met een praktisch beroep. Vaak wordt gedacht dat vooral leerlingen met een migratieachtergrond hier last van hebben, maar recent onderzoek laat zien dat het beroep en de opleiding van de ouders zwaarder wegen dan de herkomst. Nederlandse leerlingen uit een gezin met een praktisch beroep zijn daarbij extra kwetsbaar. Dat zien we ook terug in dit onderzoek.

Maar het omgekeerde gebeurt ook. Een leerling die hard werkt, bijvoorbeeld een ijverig meisje, krijgt het voordeel van de twijfel en komt op een niveau dat eigenlijk te hoog is. Dat zien we vaker bij leerlingen met ouders met een hbo- of universitair beroep.

Beide zijn nadelig. Wie te laag zit, haalt minder uit school dan mogelijk was. Wie te hoog zit, loopt vast en gaat alsnog een niveau omlaag, met een deuk in het zelfvertrouwen. In de tekening staan Jayden en Fleur, twee van de verzonnen leerlingen uit dit onderzoek. Wijs een leerling of een niveau aan voor meer uitleg.

vwo havo vmbo past bij allebei: havo Jayden: te laag geplaatst zit op vmbo, had havo aangekund Fleur: te hoog geplaatst zit op vwo, had havo gepast

Wat hebben we gedaan?

Belangrijk om te weten: alle leerlingen in dit onderzoek zijn verzonnen. Fleur, Jayden en de 30 andere leerlingen bestaan niet. We hebben hun profielen zelf gemaakt, met een verzonnen naam, verzonnen ouders en een verzonnen cijferlijst. De 140 docenten die de profielen beoordeelden, zijn wél echt.

We lieten die docenten de verzonnen profielen beoordelen in een nagemaakte versie van Magister, het programma waarin scholen de cijfers en gegevens van leerlingen bijhouden. Alle verzonnen leerlingen hadden precies dezelfde cijferlijst. Zo weet je zeker dat verschillen in het oordeel niet door de prestaties komen.

Fleurhavo/vwo 2B, rapport eind klas 2
Vakhavovwo
Nederlands6,05,4
Engels5,25,0
Wiskunde8,78,2
Frans5,85,3
Duits8,58,3
Geschiedenis6,66,3
Aardrijkskunde8,17,8
Nask (natuur- en scheikunde)6,56,3
Biologie8,17,8
Kunst beeldend8,28,2
Muziek8,58,5
Lichamelijke opvoeding8,48,3
Vetgedrukt: de kernvakken. Roze: onvoldoendes in de kernvakken op vwo-niveau.
Bekijk het volledige dossier van Fleur →

Dit is de cijferlijst die elke docent zag, hier van de verzonnen leerling Fleur. Op havo-niveau gaat het prima. Voor vwo heeft Fleur één onvoldoende te veel in de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde. Volgens de overgangsregels van de school mag zij dus net niet automatisch door naar vwo.

Klik op de cijferlijst om het volledige dossier van Fleur te openen, precies zoals de docenten het te zien kregen: haar cijfers, de beoordeling van haar werkhouding, haar rooster en de gegevens van haar ouders.

Maar cijfers zijn nooit het hele verhaal. Zulke twijfelgevallen bespreken docenten in de overgangsvergadering: laten we Fleur toch doorgaan naar vwo, of gaat zij naar havo? Precies dat gesprek hebben we nagebootst. Alle 32 verzonnen leerlingen hadden deze cijferlijst en dezelfde twijfel. Ze verschilden alleen in wie ze waren.

140docenten uit het voortgezet onderwijs
32verzonnen leerlingprofielen; elke docent beoordeelde er zes
721beoordelingen bij elkaar opgeteld

Vijf kenmerken wisselden tussen de verzonnen leerlingen. Ga met de muis over een kenmerk, of tik erop, voor meer uitleg.

Per leerling gaven docenten twee oordelen: hoe waarschijnlijk zij het vonden dat de leerling op het hoogste niveau een diploma haalt (de verwachting, op een schaal van 1 = zeer onwaarschijnlijk tot 5 = zeer waarschijnlijk), en of zij de leerling naar het hoogste of het laagste niveau zouden laten gaan (het advies). Een advies voor het hoogste niveau noemen we hieronder kortweg een advies omhoog.

Wat kwam eruit?

1Dezelfde cijferlijst, heel andere oordelen

Alle 32 verzonnen profielen hadden de cijferlijst van Fleur. Toch liepen de oordelen ver uiteen, zoals je bovenaan al zag bij Fleur (profiel 18) en Jayden (profiel 7). Elk teken hieronder is één profiel. Het streepje eromheen laat zien hoe zeker het gemiddelde is: hoe korter het streepje, hoe meer de docenten het met elkaar eens waren.

goede werkhouding matige werkhouding
Verwachting per profiel: kans op een diploma op het hoogste niveauschaal van 1 (zeer onwaarschijnlijk) tot 5 (zeer waarschijnlijk) · stippellijn = gemiddelde van alle profielen (4,1)33,544,55hoogste: 4,7laagste: 3,41234567891011121314151617181920212223242526272829303132de 32 leerlingprofielen, allemaal met dezelfde cijferlijst · wijs een teken aan voor de details
Advies per profiel: aandeel docenten dat een advies omhoog gafstippellijn = gemiddelde van alle profielen (36%)0%25%50%75%100%hoogste: 73%laagste: 9%1234567891011121314151617181920212223242526272829303132de 32 leerlingprofielen, allemaal met dezelfde cijferlijst · wijs een teken aan voor de details

Boven: hoe waarschijnlijk docenten een diploma op het hoogste niveau vonden, op een schaal van 1 (zeer onwaarschijnlijk) tot 5 (zeer waarschijnlijk). De verticale as begint bij 3, omdat alle gemiddelden daarboven liggen. Onder: hoe vaak dat profiel een advies omhoog kreeg. De stippellijn is het gemiddelde over alle profielen. Dit zijn figuur 2 en 3 uit het artikel.

Bij het advies is het verschil het grootst: het ene profiel kreeg in 9 procent van de gevallen een advies omhoog, het andere in 73 procent. De werkhouding zie je meteen terug, want de rondjes liggen als groep hoger dan de ruitjes. Maar ook binnen elke groep blijft het verschil groot. Daar gaat de rest van deze pagina over.

53%
Zo lees je de percentages hieronder

Bij de meeste cijfers staat "alle andere kenmerken gelijk". Dan gaat het om een kans: stel dat 100 docenten precies deze leerling beoordelen, dan geven er ongeveer 53 een advies omhoog. We hebben dat berekend met een model dat de vijf kenmerken los van elkaar weegt, zodat je het effect van één kenmerk kunt zien.

Bij een paar cijfers staat "van alle beoordelingen". Dat is gewoon geteld: 36% betekent dat 36 van elke 100 beoordelingen een advies omhoog was.

2Werkhouding weegt het zwaarst

Neem twee leerlingen die in alles gelijk zijn, behalve in werkhouding. Dan maakt die werkhouding het grootste verschil van alle kenmerken. Dat gold voor het advies én voor de verwachting.

Matige werkhouding
13%
Goede werkhouding
53%

Kans op een advies omhoog, alle andere kenmerken gelijk.

3Docenten zijn voorzichtig

Docenten dachten meestal dat de leerling het diploma wel zou halen, maar gaven veel minder vaak het advies dat daarbij past. Ze kozen liever de veilige kant.

Vindt diploma op hoogste niveau waarschijnlijk
77%
Adviseert het hoogste niveau
36%

Percentage van alle 721 beoordelingen.

4De brugklas zelf telt mee

Met exact dezelfde cijfers kreeg een leerling in een havo/vwo-klas veel minder vaak een advies omhoog dan een leerling in een vmbo/havo-klas. In een klas met een hoger niveau lijken docenten dus strengere eisen te stellen.

vmbo/havo-brugklas
43%
havo/vwo-brugklas
29%

Aandeel adviezen omhoog van alle beoordelingen in die klas.

5Combinaties maken het verschil

Op zichzelf maakten geslacht en achtergrond weinig verschil. Maar in combinatie met andere kenmerken wel. Dat is de kern van het artikel: je ziet het pas als je kenmerken samen bekijkt.

Werkhouding en geslachtkans op een advies omhoog 100%75% 50%25% 0% 16% 29% 75% 56% meisjes jongens matigewerkhouding goedewerkhouding
Beroep ouders en achtergrondkans op een advies omhoog 100%75% 50%25% 0% 21% 37% 36% 38% Nederlandse achtergrond Turkse of Marokkaanse achtergrond ouders met eenpraktisch beroep ouders met eenhbo- of wo-beroep

Beide figuren: de kans op een advies omhoog, alle andere kenmerken gelijk. Elke lijn volgt dezelfde groep leerlingen van de ene naar de andere waarde van een kenmerk. Hoe steiler de lijn, hoe meer dat kenmerk uitmaakt.

Links: een goede werkhouding levert meisjes veel meer op dan jongens. Hetzelfde gedrag wordt bij meisjes zwaarder beloond, misschien omdat het past bij het beeld van het ijverige meisje. Rechts: het beroep van de ouders telt alleen bij leerlingen met een Nederlandse achtergrond. De laagste kans zit daardoor bij Nederlandse leerlingen met ouders met een praktisch beroep, en niet, zoals je misschien zou verwachten, bij leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond.

Bij de verwachtingen zagen we nog iets: docenten verwachtten iets meer van leerlingen met een Nederlandse achtergrond (4,2 tegenover 4,0 op de schaal van 1 tot 5). Maar een goede werkhouding tilde de verwachting voor leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond juist sterker omhoog. Inzet valt bij hen extra op.

Wat betekent dit?

Wat gaat er nu gebeuren?

Dit onderzoek is de basis voor Kruispunt, een spel dat de overgangsvergadering nabootst. Spelers krijgen dossiers van leerlingen zoals Daan en beslissen samen wie naar welk niveau gaat. Daarna bespreken ze wat er in hun hoofd gebeurde. Zo wordt zichtbaar wat in een echte vergadering vaak onzichtbaar blijft.

Wat de leraren in opleiding tijdens het spel bespreken, gebruiken we voor het volgende deel van het promotieonderzoek: hoe komen zulke beslissingen in een gesprek tot stand, en waar kun je ingrijpen?

Bekijk het spel Kruispunt

Nog één keer, omdat het belangrijk is: dit was een experiment met verzonnen leerlingen. In een echte klas kennen docenten hun leerlingen en spelen meer dingen mee. Of deze patronen daar ook zo sterk zijn, moet vervolgonderzoek uitwijzen. Het onderzoek keek alleen naar leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond als minderheidsgroep.

Het volledige artikel (in het Engels): Drent, N., Timmermans, A. C., & Strijbos, J. W. (2026). Beyond achievement: A vignette experiment on how intersecting student characteristics shape teachers' expectations and recommendations. School Effectiveness and School Improvement. Online verschenen in 2026. doi.org/10.1080/09243453.2026.2732084

Dit onderzoek is mogelijk gemaakt door een NWO Promotiebeurs voor Leraren.